Elke gelijkenis met bestaande en/of overleden personen berust op toeval.

Copyright © 2017 Qualiber, Dick Scholten
Auteur: Dick Scholten
Foto’s: de auteur met zijn vader in 1953
Kort verhaal
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, door middel van druk, fotokopieën, geautomatiseerde gegevensbestanden of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.

Vader-website

Iedereen vindt zichzelf speciaal. Vraag een willekeurig echtpaar hoe zij elkaar hebben ontmoet en zij zullen zeggen O, dat is toch zoiets bijzonders! Vervolgens krijg je dan een dertien-in-een-dozijn verhaal te horen. Ik ben daarin een buitenbeentje. Ik vind altijd dat ik een gewone, normale Nederlander ben, afkomstig uit een doodgewoon Nederlands gezin. Toen onze minister-president het dan ook over gewone, normale Nederlanders had, voelde ik me direct door hem aangesproken.
Waarom dan een verhaal over mijn vader? Iedereen heeft toch een vader? Hij kan zijn weggelopen of het is een onbekende zaaddonor, het blijft je vader. Daarom. Het is mijn vader.

Op 28 mei 1928 trad mijn vader in het huwelijk met Pieternella. Hij was toen 23, zij 22. Ruim een jaar later werd hun eersteling, een dochter geboren. Er zouden nog drie kinderen volgen. Tijdens het ‘Vergeten bombardement’ op 31 maart 1943 kreeg zijn huis aan de Stuurmansstraat in Rotterdam een voltreffer. Vier dagen lang wist hij niet beter dan dat zijn vrouw en kinderen allen om het leven gekomen waren. Dat bleek niet zo te zijn. Eén kind werd op 2 april levend onder het puin vandaan gehaald. Het duurde nog twee dagen voor het jongetje kon spreken en zijn naam kon zeggen.

Vaders zwager Piet werkte in die tijd in de bakkerij van Van Der Meer en Schoep in de Gouwstraat. Mijn vader werkte bij hetzelfde bedrijf. In de woning naast de bakkerij woonde een nog jonge weduwe met een jong kind. Zijn zuster heeft hem met deze 12 jaar jongere weduwe in contact gebracht en in december 1944 trouwden zij met elkaar. Dat ging niet zonder slag of stoot. De weduwe verborg joden in huis, met als gevolg dat het huis met een man en elfjarige zoon extra, wat krap bemeten werd.
Het huwelijk bracht vier kinderen voort, waarvan ik de jongste ben.

Mijn vroegste herinnering zijn nachtmerries waarin de panter van Panter sigaren en de nar van Hofnar sigaren een belangrijke rol spelen. Ik kan die beeltenissen niet uit mijn geheugen wissen. Die sigarendoosjes hadden een vaste plek op de draaibare rooktafel tussen beide ramen die op straat uitkeken.
Ik weet nog dat mijn vader mij oppakte nadat ik een ijzeren staaf in een gat van het stopcontact stak en ik een hevige elektrische schok kreeg. De allerbelangrijkste herinnering is dat ik naast hem in de tuin zat op mijn eigen rieten stoeltje. In het huis boven de bakkerij, op de veranda, stonden twee mannen. Mijn vader zei onomwonden tegen hen dat wij daar wilden wonen. De mannen daarboven hadden natuurlijk geen keus. Zij moesten het veld ruimen. Wie zou het tegen mijn vader durven opnemen? Kort daarna verhuisden we en ik werd in de linnenkast omhoog gehesen.
Op 2 mei 1957, tweeëntwintig dagen voor mijn vijfde verjaardag, stierf mijn vader na een korte, hevige ziekte.

Na zijn overlijden hield mijn moeder de herinnering aan hem levend. Het was een lieve, humoristische en trouwe echtgenoot. En – veel later – nee, hij hield van een borreltje, maar deed niet zo gek veel roken en drinken als wij. Mijn broer had een moeilijk karakter. Dat had hij van mijn vader, waar hij veel op leek. Ik voelde dat altijd als een schizofrene tegenstelling met lieve echtgenoot. De problemen tussen mijn moeder en mijn broer zijn altijd talrijk geweest en de onmin tussen hen kwam tot een bloeiperiode tijdens zijn puberteit.

Rond 1960 ontvlamde een conflict tussen mijn moeder en mijn halfbroer uit het eerste huwelijk van mijn vader. Zoals in gewone, normale Nederlandse gezinnen, was de oorzaak van het conflict een futiliteit en de scheiding der geesten definitief. Ik was dol op mijn halfbroer en zijn vrouw. Zij gaven me aandacht. Hij maakte grapjes en speelde met me. Ik sliep in het tussenkamertje, enkele meters van de woonkamer verwijderd, en heb de langzaam heviger wordende ruzie woordelijk kunnen volgen. Ze verdwenen voorgoed door de voordeur.
Ik miste hen. Zoals dat gaat, slijt het gemis. In 1971, bij de verloving van mijn broer, zag ik hem eenmaal terug. De sfeer tussen mijn broer en halfbroer was van stoere mannen, bierdrinken en legerverhalen. Met het bier kon ik meekomen, maar omdat ik nou eenmaal niet stoer ben, kon ik niet bij het gesprek aanhaken.

Jaren gaan voorbij, waarbij mijn halfbroer zo af en toe in mijn gedachten springt of tijdens de spaarzame ontmoetingen tussen mij en mijn bloedverwanten ter sprake komt. In die jaren veranderde de wereld, zoals zij altijd verandert. Zo’n jaar geleden zie ik dat mijn halfbroer een Facebookpagina heeft. Ik stuur hem onmiddellijk een vriendschapsverzoek. Wat later zag ik dat hij dat verzoek negeerde. Ik kon daar wel begrip voor opbrengen. Zesenveertig jaar lang geen contact en dan een vriendschapsverzoek, dat kan je tegen de borst stuiten. Vanwege het schrijven van mijn boek waarbij het bombardement een belangrijke rol speelde, vond ik alleen een vriendschapsverzoek wat mager en ik stuurde hem een bericht via Messenger. Vrijwel onmiddellijk reageerde hij.

Kort na het via het internet herstelde contact ben ik bij hem op bezoek gegaan. Behalve het elkaar updaten van hele levens die wij apart van elkaar hebben geleefd, is hij ook degene die mij meer over mijn vader kan vertellen. Hij is het enige nog in leven zijnde familielid die mijn vader écht gekend heeft. Zesentwintig jaar lang. Het beeld van de man waar ik uit voortkom ontstaat, is ver verwijderd van de erfenis die mijn moeder overbracht.

Voor het bombardement in 1943 was mijn vader nooit thuis. Hij zat dan in een van de vele kroegen die Rotterdam rijk was. De kinderen moesten vroeg naar bed om te voorkomen dat ze hun vader ladderzat thuis zagen komen. De drankzucht die in ons gezin huishoudt, komt dus van geen vreemde. Bovendien zijn wij natuurlijk, zoals al eerder gezegd, een gewoon, normaal Nederlands gezin.
Natuurlijk moet ik begrip opbrengen voor een achtendertig jarige man die zijn vrouw en drie van zijn kinderen kwijtraakt door een bom. Natuurlijk is het nauwelijks voor te stellen in wat voor gemoedstoestand hij toen moet hebben verkeerd. Maar het is onvoorstelbaar dat mijn vader in het ziekenhuis op bezoek bij zijn van onder het puin bevrijde zoon hem zonder omwegen meedeelde dat zijn moeder was overleden en zich direct daarna omdraaide en vertrok. Ook daarna, in de vier maanden dat mijn halfbroer in het ziekenhuis lag, is hij niet meer op bezoek geweest.

Mijn dakloze vader trok bij zijn broer in. Mijn halfbroer volgde na het ontslag uit het ziekenhuis. Tijdens de bezettingsjaren gold spertijd en men mocht zich na acht uur ’s avonds niet meer op straat zijn. Uit angst dat hij ook zijn vader zou verliezen, ging mijn halfbroer tussen zeven en acht uur de kroegen langs om mijn vader te zoeken en hem te bewegen naar huis te komen.

Tijdens het twaalfenhalf jaar durend huwelijk met mijn moeder telden de kinderen uit de eerdere huwelijken niet mee. Zij kregen geen aandacht en er werd niet naar hen omgekeken.

Toen mijn vader overleed, zei mij halfbroer iets in de trant van Daar zijn we tenminste van af, een opmerking die hem zelfs na zestig jaar nog kwalijk wordt genomen. Niet door mij, laat dat duidelijk zijn. Herinneringen zijn geen films. Herinneringen zijn persoonlijk gekleurd en vervormen door de jaren. Mijn vader blijft mijn vader. Het is de man zonder wie ik niet zou leven. Nu ik een schaduwkant van hem heb leren kennen, is het meer een man van vlees en bloed geworden.

-o-o-o-